Eetoplossingen Onderzoek Voorlichting Advies
 

 Overzicht van bestaande eetstoornissen en eetproblemen

Eetstoornissen volgens de DSM-IV-TR:


307.1 Anorexia nervosa
A. Weigering het lichaamsgewicht te handhaven op of boven een voor de leeftijd en lengte minimaal normaal gewicht (bijvoorbeeld gewichtsverlies dat leidt tot het handhaven van het lichaamsgewicht op minder dan 85 procent van het te verwachten gewicht; of het in de periode van groei niet bereiken van het te verwachten gewicht, hetgeen leidt tot een lichaamsgewicht van minder dan 85 procent van het te verwachten gewicht).

B. Intense angst in gewicht toe te nemen of dik te worden, terwijl er juist sprake is van ondergewicht.

C. Stoornis in de manier waarop iemand zijn of haar lichaamsgewicht of lichaamsvorm beleeft, onevenredig grote invloed van het lichaamsgewicht, of lichaamsvorm op het oordeel over zichzelf of ontkenning van de ernst van het huidige lage lichaamsgewicht.

D. Bij meisjes, na de menarche, amenorroe, dat wil zeggen de afwezigheid van ten minste drie achtereenvolgende menstruele cycli. (Een vrouw wordt geacht een amenorroe te hebben als de menstruatie alleen volgt na toediening van hormonen (bijvoorbeeld oestrogenen).

Specificeer het type Beperkende type: tijdens de huidige episode van anorexia nervosa is betrokkene niet geregeld bezig met vreetbuien of laxeren (dat wil zeggen zelfopgewekt braken of het misbruik van laxantia, diuretica of klysma's) Vreetbuien/purgerende type: tijdens de huidige episode van anorexia nervosa is betrokkene geregeld bezig met vreetbuien of purgerende maatregelen (dat wil zeggen zelfopgewekt braken of het misbruik van laxantia, diuretica of klysma's).

307.51 Boulimia nervosa
A. Recidiverende episodes van vreetbuien. Een episode wordt gekarakteriseerd door beide volgende: (1) het binnen een beperkte tijd (bijvoorbeeld twee uur) eten van een hoeveelheid voedsel die beslist groter is dan wat de meeste mensen in een zelfde periode en onder dezelfde omstandigheden zouden eten (2) een gevoel de beheersing over het eten tijdens de episode kwijt te zijn (bijvoorbeeld het gevoel dat men niet kan stoppen met eten of zelf kan bepalen wat of hoeveel men eet)

B. Recidiverend inadequaat compensatoir gedrag om gewichtstoeneming te voorkomen zoals zelfopgewekt braken; het misbruik van laxantia, diuretica of klysma's of andere geneesmiddelen; vasten; of overmatige lichaamsbeweging.

C. De vreetbuien en de inadequate compensatoire gedragingen komen beide gemiddeld ten minste tweemaal per week gedurende drie maanden voor.

D. Het oordeel over zichzelf wordt in onevenredige mate beïnvloed door de lichaamsvorm en het lichaamsgewicht.

E. De stoornis komt niet uitsluitend voor tijdens episodes van anorexia nervosa.

Specificeer het type:
Purgerende type: tijdens de huidige episode van boulimia nervosa is betrokkene geregeld bezig met zelfopgewekt braken of het misbruik van laxantia, diuretica of klysma's)
Niet purgerende type: tijdens de huidige episode van boulimia nervosa heeft betrokkene andere inadequate compensatoire gedragingen getoond zoals vasten of overmatige lichaamsbeweging, maar is niet geregeld bezig met zelfopgewekt braken of het misbruik van laxantia, diuretica of klysma's.

307.50 Eetstoornis Niet Anderszins Omschreven
De categorie Eetstoornis Niet Anderszins Omschreven dient voor eetstoornissen die niet voldoen aan de criteria van enige specifieke eetstoornis. Tot de voorbeelden horen:
1. Bij vrouwen wordt voldaan aan alle criteria van anorexia nervosa, behalve dat betrokkene geregeld menstrueert.
2. Aan alle criteria van anorexia nervosa wordt voldaan, behalve dat, ondanks significant gewichtsverlies, het huidige lichaamsgewicht van betrokkene binnen de normale grenzen ligt.
3. Aan alle criteria van boulimia nervosa wordt voldaan behalve dat de vreetbuien en de inadequate compensatie mechanismen voorkomen in een frequentie van minder dan tweemaal per week of met een duur van korter dan drie maanden.
4. Het geregeld tonen van inadequate compensatoire gedragingen na het eten van kleine hoeveelheden voedsel bij iemand met een normaal lichaamsgewicht (bijvoorbeeld zelfopgewekt braken na het eten van twee koekjes).
5. Herhaald kauwen op en uitspugen van, maar niet doorslikken van grote hoeveelheden voedsel.
6. Eetbuistoornis (Binge-eating disorder): terugkerende episodes van eetbuien in afwezigheid het geregeld tonen van inadequate compensatoire gedragingen die karakteristiek zijn voor boulimia nervosa.

Binge Eating Disorder (Eetbuistoornis)
(De Binge Eating Disorder valt in de DSM-IV onder Appendix B, voorgestelde research criteria)
A. Recidiverende episodes van eetbuien. Een episode wordt gekarakteriseerd door beide volgende:
1. Het binnen een beperkte tijd (bijvoorbeeld twee uur) eten van een hoeveelheid voedsel die beslist groter is dan wat de meeste mensen in een zelfde periode en onder dezelfde omstandigheden zouden eten.
2. Een gevoel de beheersing over het eten tijdens de episode kwijt te zijn (bijvoorbeeld het gevoel dat men niet kan stoppen met eten of zelf kan bepalen wat of hoeveel men eet)
B. De episodes van eetbuien gaan gepaard met drie (of meer) van de volgende criteria:
1. Veel sneller eten dan gewoonlijk;
2. Dooreten tot een ongemakkelijk vol gevoel is bereikt;
3. Grote hoeveelheden voedsel verorberen zonder fysieke honger te voelen;
4. In eenzaamheid eten uit schaamte over de grote hoeveelheid voedsel, die gegeten wordt;
5. Na het overeten walgen van zichzelf, zich depressief of erg schuldig voelen.
C. Merkbaar ongenoegen over de eetbuien is aanwezig.
D. De eetbuien komen gemiddeld ten minste twee dagen per week gedurende zes maanden voor.
E. De eetbuien gaan niet gepaard met regelmatig inadequaat compensatoir gedrag (bijvoorbeeld zelfopgewekt braken; het misbruik van laxantia, vasten of overmatige lichaamsbeweging) en de stoornis komt niet uitsluitend voor tijdens het beloop van anorexia nervosa of boulimia nervosa.

Eetstoornissen, voorkomend bij zuigelingen, jonge kinderen, verstandelijk gehandicapten of anderszins:
307.52 PICA
A. Hardnekkig eten van niet voor consumptie geschikte stoffen gedurende een periode van ten minste één maand.
B. Het eten van niet voor consumptie geschikte stoffen past niet bij het ontwikkelingsniveau.
C. Het eetgedrag maakt geen deel uit van cultureel geaccepteerde gewoonten.
D. Indien het eetgedrag uitsluitend voorkomt tijdens het beloop van een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld zwakzinnigheid, pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie), moet het voldoende ernstig zijn om aparte medische aandacht te rechtvaardigen.

307.53 Ruminatiestoornis
A. Herhaalde regurgitatie en herkauwen van voedsel gedurende een periode van ten minste één maand volgend op een periode van normaal functioneren.
B. Het gedrag is niet het gevolg van een bijkomende gastrolintestinale ziekte of een somatische aandoening (bijvoorbeeld oesophagusreflux).
C. Het gedrag komt niet uitsluitend voor in het beloop van anorexia nervosa of boulimia nervosa. Indien de symptomen uitsluitend voorkomen in het beloop van zwakzinnigheid of een pervasieve ontwikkelingsstoornis moeten zij voldoende ernstig zijn om afzonderlijke aandacht te rechtvaardigen.

307.59 Voedingsstoornissen op zuigelingenleeftijd of vroege kinderleeftijd
A. Voedingsstoornis waarbij betrokkene er nooit in slaagt voldoende te eten met een in significante mate uitblijven van gewichtstoeneming of een significant gewichtsverlies gedurende ten minste één maand.
B. Het gedrag is niet het gevolg van een bijkomende gastro-intestinale ziekte of een somatische aandoening (bijvoorbeeld oesophagusreflux).
C. De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld ruminatiestoornis) of door een tekort in beschikbaar voedsel.
D. Het begin ligt voor het zesde jaar.

Eetstoornissen bij jonge kinderen, de eetproblemen kunnen uitlopen tot in de volwassenheid (resultaten van Great Ormond Street Hospital Eating Disorders Clinic)

Childhood-onset anorexia nervosa
Gewichtsverlies. Abnormale cognities omtrent gewicht en lichaam. Morbide preoccupatie met gewicht, lichaam, voedsel en eten.

Childhood-onset boulimia nervosa
Regelmatige eetbuien en purgeren/voedselrestrictie. Gevoel van controleverlies. Abnormale cognities omtrent gewicht en lichaam.

Food avoidance emotional disorder (FAED)
Voedselvermijding. Gewichtsverlies. Stemmingsstoornissen. Geen abnormale cognities omtrent gewicht en lichaam. Geen morbide preoccupatie met gewicht en lichaam. Geen organische hersenziekte, psychose, drugsgebruik of bijeffecten van medicatie. Vaak is men tussen de 5-16 jaar oud, maar het kan blijven bestaan in volwassenheid.

Selective eating/extreme faddiness
Smalle keuze voor voedsel (gedurende minimaal 2 jaar). Onwil om nieuwe voedingsmiddelen te proberen. Geen abnormale cognities omtrent gewicht en lichaam. Geen morbide preoccupatie met gewicht en lichaam. Gewicht kan laag, normaal of hoog zijn. Het vermoeden bestaat, dat deze kinderen (soms ook volwassenen) nooit uit de normale ontwikkelingsfase van voedselweigering zijn gegroeid.

Restrictive eating/poor appetite
Eet kleinere porties dan normaal voor de leeftijd. Eetpatroon is normaal qua voedingswaarde, maar niet in hoeveelheid. Geen abnormale cognities omtrent gewicht en lichaam. Geen morbide preoccupatie met gewicht en lichaam. Gewicht en lengte neigen naar laag.

Food refusal
Voedselweigering neigt ernaar episodisch te zijn, cyclisch of situationeel. Geen abnormale cognities omtrent gewicht en lichaam. Geen morbide preoccupatie met gewicht en lichaam. Komt niet voor bij volwassenen.

Food phobia/functional dysphagia
Voedselvermijding. Angst voor slikken, kokhalzen of braken. Geen abnormale cognities omtrent gewicht en lichaam. Geen morbide preoccupatie met gewicht en lichaam.

Ongepaste voedselstructuur voor leeftijd
Het eten van gepureerd of zacht voedsel, geschikt voor zuigelingen. Geconfronteerd met klonten of brokken in het eten, wordt het uitgespuugd, gaat het kind kokhalzen of weigert het verder te eten. Soms is er sprake van een laag gewicht. Komt niet voor bij volwassenen.

Pervasive refusal syndrome
Diepgaande weigering om te eten, drinken, lopen, praten of zichzelf te verzorgen. Vastberaden verzet tegen pogingen om te helpen. Ernstige stoornis, zonder dat sprake is van een organische verklaring. Vaak ligt er een ervaring met seksueel misbruik of ernstige mishandeling/verwaarlozing onder.


Eetstoornissen, niet officieel erkend, wel genoemd in populaire literatuur:

Orthorexia nervosa
Ortho betekent in het Grieks, puur, correct, juist en orexis staat voor eetlust. Orthorexia Nervosa verwijst naar een fixatie op het eten van gezonde voeding. Deze vorm van extreem en dwangmatig gezond eten kan een risico vormen voor de ontwikkeling van een eetstoornis. Hierbij worden steeds meer soorten voeding uit het menu geschrapt, vooral voedingsmiddelen die relatief veel calorieën, vet of suikers bevatten. Kinderen en volwassenen die steeds meer geobsedeerd raken door gezonde voedingsmiddelen lopen het risico om door te slaan naar een eetstoornis, vooral in combinatie met andere psychologische factoren.

Anorexia athletica
Extreem veel bewegen en sporten wordt beschouwd als een kenmerk van eetstoornissen, maar is ook een specifieke risicofactor voor het ontwikkelen van eetstoornissen. Zeker bij kinderen die een gewoon gewicht hebben kan extreem sporten leiden tot afvallen terwijl ze toch redelijk normale hoeveelheden eten. Sommigen willen steeds langer en fanatieker doorgaan met sporten en steeds grotere prestaties leveren. Vooral bij jongens kan dit een strategie zijn om af te vallen en toch jongensachtig gedrag te vertonen. In dat geval wordt wel gesproken van anorexia athletica. Extreem veel bewegen wordt ook wel gezien als een risicofactor met een hoog voorspellend vermogen voor het ontstaan van een andere eetstoornis.

Permarexia
Dit is een vorm van eetgedrag, waarbij iemand zich veelvuldig zorgen maakt over zijn gewicht, maar wel een realistisch beeld hierover heeft. Er wordt chronisch aan de lijn gedaan, maar het gewicht is meestal normaal. Vaak is men geobsedeerd door een wens af te vallen, maar heeft men wel een realistisch gewicht voor ogen.

Overgewicht, al dan niet vergezeld gaand met eetproblemen:

Obesitas
Obesitas, een andere naam voor overgewicht, wordt voor volwassenen gedefinieerd aan de hand van de Body Mass Index (BMI) of Quetelet Index (QI). Dit zijn 2 verschillende namen voor dezelfde maat en ze worden als volgt berekend: Gewicht (kg) / lengte2 (m2), oftewel: aantal meters in het kwadraat).

BMI

< 17,5 Ernstig ondergewicht
17,5 - 18,5 Ondergewicht
18,5 - 25 Normaal gewicht
25 - 30 Overgewicht
30 - 40 Ernstig overgewicht, ofwel obesitas of adipositas
> 40 Zeer ernstig overgewicht, ofwel morbide obesitas of morbide adipositas
Bij kinderen en jeugdigen wordt de mate van overgewicht bepaald aan de hand van de groeicurve: De standaard deviatie score (SDS) t.o.v. het gemiddelde gewicht voor lengte en leeftijd.

Emotie-eten
Een normale reactie op negatieve emoties is verlies van eetlust. Door stress gaat het bloedsuikergehalte omhoog en krijgt men een vol gevoel in de maag. De psychosomatische theorie geeft een verklaring voor het feit, dat er ook mensen zijn die bij negatieve emoties juist gaan eten. Emotionele eters hebben niet geleerd hongerprikkels en door emoties veroorzaakte fysiologische prikkels van elkaar te onderscheiden. Als er emoties ontstaan, gaan zij eten. Dit kan leiden tot overgewicht.

Extern eten
Er wordt, net als bij emotie-eten, verband gelegd tussen het niet goed interpreteren van lichamelijke signalen. Er is sprake van een algemene ontvankelijkheid voor externe prikkels. Gevoeligheid voor voedselprikkels is er slechts een deel van. Externaliteit wordt beschouwd als een persoonskenmerk. Voedselprikkelingen zoals geur en visuele aantrekkelijkheid leidt tot eten, ook al heeft het lichaam er fysiologisch gezien geen behoefte aan. Ook externe eters kunnen hierdoor gaan kampen met overgewicht.

Lijngericht eetgedrag
Deze theorie gaat uit van het setpoint gewicht. Ieder mens heeft een natuurlijk gewicht, wat door een soort homeostatisch regelmechanisme in stand wordt gehouden. Lijnen is een poging om dit gewicht te verlagen. Daardoor reageert het lichaam met een fysiologisch verdedigingsmechanisme. Het basaal metabolisme wordt trager (de stofwisseling gaat omlaag). Men krijgt honger, waardoor een conflict ontstaat tussenbehoefte van het lichaam en de wil om niet te eten. Geeft men toe aan het hongergevoel, dan ontstaan al snel eetbuien. Hierdoor kan overgewicht ontstaan. Door opnieuw te gaan lijnen, kan een vicieuze cirkel ontstaan.

Bronnen:
- www.eetstoornis.info (website Kenniscentrum Eetstoornissen Nederland)
- Claudine Fox, Carol Joughin - Childhood-onset eating problems; findings from research. Uitgever: Royal College of Psychiatrists, 2002.
- Tatjana van Strien - Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag. Uitgever: Boom Testuitgevers.

 
Nieuws Contact gegevens Links
(c) 2018 EOVA.